Wil kind niet breken maar bewegen - opinie RD

In het RD van gisteren stond een opinieartikel van mij over de recente discussie rond een mogelijk verband tussen huiselijk geweld en een gereformeerde antropologie. Zie bijdrage Drayer, Smedes in reactie op Post. Een andere gesprekspartner rond dit onderwerp is Arnold Huijgen, die onlangs een column schreef over pedagogisch pelagianisme.

Hier vind je een reactie op mijn artikel van de hand van Bram de Muynk van Driestar Educatief. Ik denk dat we als betrokkenen bij dit onderwerp de komende tijd even offline met elkaar moeten gaan praten over de manier waarop we dit onderwerp verder een boost willen geven, maar een paar notities wil ik hier nog wel even maken:

  • Het valt mij op dat De Muynk, eigenlijk net als Huijgen, toch weer met de genade komt in plaats van verder spreekt over de natuur. In mijn bijdrage ging het bewust over de menselijke natuur afgezien van de genade. De Muynk wil ook vanuit het doopformulier de thematiek doordenken. Begrijp me goed, daar heb ik als zodanig niets tegen, maar ik denk dat voor de pedagogiek van de bevindelijk gereformeerden, in ieder geval kerken als de GG, OGG en GGiN, nu net specifiek is dat er in deze kring niet op basis van de genade opgevoed kan worden.
  • Ik zie dan ook al aankomen dat heel oude tegenstellingen in het gesprek over deze thematiek opnieuw hun intrede gaan doen: veronderstelde wedergeboorte als basis voor opvoeding; het opgenomen zijn van kinderen in het genadeverbond als basis voor de opvoeding, thema's die in de dertiger jaren van de vorige eeuw voor het specifieke debat zorgden tussen CGK, GKV, GB enerzijds en (O)GG(iN) anderzijds. Die verschillen zijn feitelijk alleen maar sterker geworden en als ik het goed zie, hebben de GG varianten lange tijd het opvoedkundige klimaat aan reformatorische scholen beheerst. Daarin was feitelijk voor een opvoeding binnen de ruimte van de genade geen plaats, want er kon van de genade op geen enkele wijze worden uitgegaan én het verbond werd dermate sterk beheerst door de verkiezing dat ook een verbondsmatige opvoeding niet tot de mogelijkheden behoorde. In GG (met varianten) kring is dat feitelijk nog steeds zo. Ik bedoel dat overigens niet als kritiek op de GG-kring, maar het is wel uiterst relevant voor de discussie om ons van die verschillen vanaf het begin al bewust te zijn.
  • De Muynk geeft terecht aan dat er zowel vanuit de opvoedkundige praktijk als vanuit de theologie aandacht moet zijn voor een verschil in antropologie tussen het gewone leven en de gerichtheid op God. Dogmatisch is dat onderscheid al relevant, tenminste vanaf de theologie van de Reformatie, maar ook praktisch blijkt dit onderscheid voor de meeste bevindelijk gereformeerden kennelijk de sleutel om met de door Huijgen en De Muynk gesignaleerde tweespalt tussen de dagopening en de rest van de dag om te gaan. Er is in bevindelijk gereformeerde kring overigens ook een beweging die zich juist tegen die splitsing van zondag en de rest van de week verzet. 
Nog een reactie, van Kees Schimmel. Schimmel is van mening dat het theologische werk al gedaan is. Het zal niet verbazen dat ik daar wat anders over denk. Theologisch werk is sowieso nooit gedaan. Wie meent ‘orthodox’ te kunnen blijven door niet aan theologie te doen, is vermoedelijk al van het ‘orthodoxe’ pad afgedwaald. Theologie wordt namelijk altijd bedreven, ook als ze impliciet blijft in taal en handelingen van gelovigen. Die kunnen heel gemakkelijk zeggen dat wat zij doen en zeggen, orthodox is, omdat ze oude woorden gebruiken, maar oude woorden zijn zo flexibel dat ze als oude woorden weer dekmantel kunnen worden voor problematische opvattingen. Daarom is er altijd expliciete reflectie op theologische inhouden nodig, om wat impliciet is, expliciet op waarde te schatten.

Ik heb overigens inmiddels het door Schimmel genoemde boek van M. Golverdingen gelezen en ik vind het niet gerechtvaardigd dat Schimmel dat boek aanhaalt om zijn stelling te verdedigen dat verdere reflectie op de verbinding tussen theologie en pedagogiek overbodig zou zijn. Integendeel concludeert Golverdingen juist dat er nu eindelijk na een lange periode van pedagogisch eclecticisme een veel principiëlere reformatorische pedagogische antropologie nodig is (Golverdingen, 1996, 78). In de enkele krijtlijnen die hij in zijn boek biedt, worden contouren van zo'n antropologie geschetst, maar niet meer dan dat. De beknoptheid van Golverdingens boek én de blijvende onduidelijkheid rond antropologische vragen maken volgens mij duidelijk dat voortgaande bezinning juist op z'n plaats is.

Reacties

Een reactie posten

Populaire posts